Het ontstaan van de vechtkunst.

Waar en wanneer zijn de vechtkunsten begonnen?

Wie de oorsprong van de vechtkunsten probeert na te gaan, stuit op het probleem dat ze verspreid over het hele Verre Oosten voorkomen. Maar in Europa zijn ze nooit beoefend, zelfs niet rond de Middellandse zee, waar nog voor het Romeinse Rijk het eerste contact met het Oosten werd gelegd.

 De ingrediënten die samen een vechtkunst vormen zijn een voor een toegevoegd en met elkaar vermengd en dit proces dateert van voor het begin van de beschaving.

De vechtkunst heeft maar een doel:” Het zo snel mogelijk beëindigen van een aanval, op wat voor manier dan ook.”

Dan is de volgende vraag, hoe doe je dat? Het eenvoudigste is om gebruik te maken van de wiskunde van het menselijk lichaam.

Je kan het menselijk lichaam zien als een ingewikkelde machine, wat bestaat uit draagbalken, dwarsliggers, touwen en katrollen. Net als een machine kan het kapot gaan als het onnatuurlijke handelingen moet verrichten. Een elleboog is buigzaam naar alle kanten behalve een, dus als er druk wordt uitgeoefend op het gewricht in de richting waarin het zich niet kan buigen, blokkeert of breekt het.

De kunst van het vechten bestaat hieruit dat het ingewikkelde mechanische geheel tegen zichzelf wordt gekeerd.

Je kunt de kracht toevoer belemmeren door de spieren en zenuwen te treffen. Je kunt de botten breken zodat ze zich niet meer kunnen bewegen. Je kunt de balans van het systeem vernietigen en het op die manier verslaan.

Een fundamenteel kenmerk van de gevechtstechnieken heeft een religieuze en medische achtergrond.

Dit is het nadrukkelijk gebruik van de ademhaling. Hieruit wordt kracht en evenwicht geput.

Ademhalingstechnieken worden nog steeds gebruikt in de religies van het Midden –Oosten en ze zijn belangrijk bij Yoga en bij de Chinese conditieoefeningen. Ze werden in China rond 500 voor Chr. beschreven als een systeem van oefeningen die mogelijk de antieke voorlopers van de T’ai-Chi-Ch’uan zijn.

De bestudering van de geschiedenis van de vechtkunsten, blijft steken in vermoedens die gebaseerd zijn op een paar feiten. De “meesters” van vroeger waren terughoudend in het naar buiten brengen van hun kennis. Slechts weinigen werden ingewijd in de wijsheid en technieken die de meesters na jaren van toewijding hadden verworven. Talloze verhalen bestaan er over leerlingen die jaren moesten wachten, voordat ze de eer hadden om de trainingshal te betreden.

Eenmaal binnen werd het hun verboden de kennis die ze tijdens de training vergaarden, met niet leerlingen (buitenstaanders) te bespreken. Op veel scholen vond de training onder geheimhouding plaats. Het bestaan van de school zelf bleef vaak verborgen voor de buitenwereld. Vechtkunst-tradities werden zelden opgeschreven.

De stijl en technieken, werden mondeling overgedragen aan de weinige leerlingen die beloofd hadden het geleerde geheim te houden. T’ai-Chi-Ch’uan bijvoorbeeld is gebaseerd op een theoretisch apparaat dat al 2000 jaar oud is. Toch werd het pas in 1750 schriftelijk vastgelegd. Deze traditie van geheimhouding maakt het zoeken naar de ontwikkeling van de vechtkunsten heel moeilijk.

Iets van de hang naar geheimhouding is nog altijd te vinden in de houding en manier van denken van de huidige “meesters.” De technieken staan (als ze zijn beschreven) opgetekend in boeken die alleen toegankelijk zijn voor de evt.oudste zoon of leerling(en). Deze worden gekopieerd en van meester tot de juiste leerling overgedragen.

Een meester die het besluit genomen heeft zijn kunst naar buiten te brengen, zal vaak een paar belangrijke kenmerken van zijn stijl / techniek achterhouden. Die verteld hij alleen aan die leerling die hem op mag volgen. Mocht er nooit een geschikte leerling gevonden worden, dan sterft de stijl en de techniek uit met de dood van de meester. Tenzij er natuurlijk een van de leerlingen in staat is de technieken te reconstrueren of opnieuw te ontdekken. Vechtkunstsystemen die in China ontstonden en zich daar ontwikkelden, werden door Chinese vechtkunstenaars naar andere Aziatische landen geëxporteerd.

Tegelijkertijd kwamen er mensen naar China om handel te drijven of te studeren en zij namen de kennis mee terug naar huis.Daar komt bij dat in China de religieuze en filosofische systemen waarop de vechtkunsten zijn gebaseerd, werden gecreëerd. De overdracht van de leerstellingen van Lao-tzu, Confucius, Boeddha en zijn opvolger Bodhidharma (Ta-mo), ging hand in hand met de overdracht van de Chinese vechtkunsten naar andere Aziatische landen, zoals het voormalige Nederlands-Indie.

Bijna 350 jaar lang, vanaf het midden van de 17e eeuw, toen de veroveraars uit Mantsjoerije de laatste Ming-Keizer afzetten en de Ch’ing Dynastie vestigden, zijn de vechtkunsten in China officieel tegengewerkt. Als ondergrondse organisaties zijn ze echter blijven bestaan. Dit heeft tot gevolg gehad dat diverse stijlen dmv. geheime tekens, symbolen en rituelen kontakt met elkaar en andere organisaties hielden. (Hung Gar, Pak Mei Pai, Fu Jow Pai, Choy Li Fat, Shaolin Pai enz.)

Het verhaal van de vechtkunst vanaf de 3e eeuw na Chr. is er een van de geleidelijke ontwikkeling van de technieken, de filosofieen en langzame verspreiding ervan in andere landen, meestal als reisgezel van het Boeddhisme. In de laatste 1500 jaar zijn er China veel verschillende vechtkunsten ontstaan. Velen daarvan worden nog steeds beoefend, maar de meeste zijn afkomstig uit de oorspronkelijke scholen.

De meeste Kung-fu stijlen (het Wu-kung) hebben zich ontwikkeld uit het Shaolin Tempel boksen. De vechtkunstsystemen in hun geheel, dus de ideologie plus de praktijk of de techniek, zijn voorbij de grenzen van China en India naar Korea, Japan, Zuidoost-Azie geexporteerd. Deze landen moeten hun eigen vechtkunsten hebben gehad, maar toen de superieure en geavanceerde technieken uit het buitenland door hun vechters werden overgenomen, ondergingen ze een verandering en ontwikkelden de inheemse systemen zich tot volwaardige vechtkunsten.

De ontwikkeling van de vechtkunststijlen in Indonesië.

De bestaande (ongewapende) vechtkunsten van Birma (Bando), Thailand (Muy-Tay), Maleisië (Bersilat, Pukulan), Indonesie (Pentjak-Silat), Indo-China (Viet-Va-Dao), Korea (Tang-Soo-Do, Hwarang-Do) en het Okinawa Te (Karate), vertonen een duidelijke relatie met het Chinees boksen. Het is echter de intellectuele inhoud die een vechtkunst onderscheidt van een gevechtstechniek. Hoewel de verspreiding van de vechtkunsten van land tot land kan worden nagegaan, is het niet goed duidelijk wanneer de inheemse technieken zich ontwikkelden tot vechtkunsten. De Japanners, die sterk werden beïnvloed door de Chinese cultuur, leerden de lessen van de oude Chinese meesters zeer grondig. Op basis van de Chinese technieken ontwikkelden de Japanners hun eigen vechtkunst.

Dit gebeurde hetzelfde in het voormalige Nederlands-Indie, waar de bewoners van oa. het eiland Java de inheemse Pentjak-Silat technieken, vermengde met de Chinese Kung-fu technieken (meestal de Shaolin stijl). Zo werd de vechtkunst Kun T’ou ontwikkeld,  die in twee stromingen zijn te verdelen, de harde Kun-T’ou stijlen (o.a het Shaolin- en de Shantung tiger Kun-T’ou) en de zachte Kun-T’ou stijlen (o.a het Thay kek of’ T’ai-Chi-Ch’uan ).

De kunsten van Maleisië en Singapore heten Bersilat en zijn net als hun beoefenaars verwant aan die van Indonesie. Achter de sierlijkheid gaan echter technieken schuil die een dodelijke uitwerking hebben als ze tijdens een gevecht vol gebruikt worden.

 Ik zal proberen om de Kun T’ou tijger stijl die ik van sijo “Paatje C.Faulhaber en sifu C.Bax geleerd hebt (en aan jullie probeert door te geven), uit te leggen.

De fundatie van onze vechtkunst is het Kun-T’ao Matjan, afkomstig van het eiland Sumatra en heeft zich later  verspreidt naar o.a de eilanden Java en Bali.

Wat is het Kun T’ou Matjan voor een vechtkunst?

Het is een vechtkunst-stijl die is ontstaan uit de inheemse vechtkunst-systemen van o.a de  eilanden Java, Bali, Sumatra en het Chinese kung-fu van de Zuid-oostelijke kust van de provincie Fukien.

Kun T’ou betekent de kop van de vuist.

Andere benamingen zijn “Kun Tao” of de weg van de vuist, de Chinese karakter tekens zijn verschillend van beide benamingen, maar het ontstaan is het zelfde.

Matjan (“macan”) betekent “TIJGER” in het maleis of Harimau in het Javaans, de basis van onze stijl is dus gefundeerd op de Kun T’ou tijger stijl.

De Chinese gemeenschap in Indonesie, heeft zich altijd al afgeschermd van de lokale bevolking, dat is ook de reden waarvoor er eigenlijk (vergeleken met het pentjak silat) weining bekend is over het ontstaan, de stijlen, trainingen, meesters en technieken over het Kun T’ou.

Het waren de Hollanders die de Chinezen naar de Indische archipel hebben gehaald en hun toestemming gaven om de handel in natuurlijke grondstoffen op te zetten. Het Kun T’ou Matjan is een van de weinige vechtkunststijlen uit het voormalige Ned.Indie die silat technieken in de stijl heeft vermengd. Vaak waren het de Indo’s zelf die de silat technieken die ze geleerd hadden vermengden met het bestaande Kun T’ou. Ik zelf groeide op met de verhalen en demonstraties van diverse Pentjak Silat en Kun T’ou stijlen. Mijn vader is geboren in Pekalogan op West-Java, waar het Sunda Silat of Bandung Silat bekend was, nou was mijn vader zelf niet zo geïnteresseerd in Pentjak Silat, maar mijn ooms en neefjes des te meer. Tussen de streek Bandung – Bogor, komen de Tji-stijlen vandaan, ook wel Pentjak Betawi genoemd en is specifiek verwant aan het Tjimande Silat stijl. In Sukabumi is de Tjikalong Silat stijl ontwikkeld en de Mustika Kwitang Silat stijl is afkomstig uit Batavia (Jakarta). Het was in het voormalige Nederlands-indie heel normaal, dat in de meeste Indo families er wel een of meerdere familieleden waren die een  pentjak silat of silat systeem trainden. Alleen was het toen al moeilijk om onderricht te krijgen in het Chinese Kun T’ou of Kun Tao, laat staan aangenomen te worden door een Chinese leeraar.

Op de vraag, waarom de Indo’s in het wereldje van het Silat en kun T’ou zo duidelijk aanwezig zijn, kan ik eigenlijk maar een verklaring voor vinden, en dat is deze:

Doordat het onderscheidt van geloof in het voormalige Ned.indie bijna niet bestond, was het integreren van de Indische Nederlanders in het sterk traditionele religieuze vechtkunst wereld niet zo moeilijk. Je moet niet vergeten dat de inwijding rituelen bij de meeste Silat en sommige Kun T’ou stijlen, gefundeerd zijn op het voorouder geloof en verering. Dit zou toen en ik denk heden nog, in Europa ondenkbaar zijn. Al zie je wel de trend, dat velen zoekende zijn naar een achtergrond en/of tradities waar ze zich aan vast kunnen klampen. Daarom heeft onze familie, altijd grote waarde gehecht aan de lijn waaruit iedere zwarte bander/instructeur vandaan komt,

Gradering is alleen bekend in de familie en staat vast.

Wat alle Kun T’ou stijlen uit het voormalige Nederlands-Indie met elkaar gemeen hebben, is dat het doorspekt is met maleise woorden voor de verschillende technieken en vuistvormen.

Helaas is dat in de loop van de afgelopen 20 jaren verandert en gebruiken vele Kun T’ou stijlen alleen de Chinese benamingen (met de nodige geheimzinnigheid erbij) of in het Hollands. De meeste leerlingen weten niet eens hoe en waar de Kun T’ou systemen zijn ontstaan. Toen in de 50er jaren de Hollanders (en dus de indo’s) uit het voormalige Ned.Indie moesten vertrekken (waaronder vele meesters in het Pentjak en het Kun T’ou) naar Holland,

hadden de Indo’s het te druk met het zoeken van werk, behuizingen en het integreren in het koude Holland.(De meeste families hadden in het jappenkamp gezeten en werden daarna in de zelfde kampen ondergebracht ter bescherming tegen de Indonesische nationalisten van Soekarno).

 Toen in de jaren 70, het Kung-fu populair werd door de films van Bruce Lee, schoten de z.g Kung-fu scholen als paddestoelen uit de grond, ook verscheidene karate, judo en ju jutsu scholen turnden zichzelf om tot Karate / Kung fu scholen. Tenslotte zag je een verscheidenheid van Penjak-Silat en Kun T’ou stijlen ontstaan, met een geheimzinnigheid van achtergrond, waar de honden geen brood van lusten. Ik moet er wel aan toe voegen, dat wij, de Indo’s dus hieraan zelf hebben meegewerkt, door lid te worden van diverse bonden, het geven van onderricht aan diverse leerlingen, geen controle uit te oefenen op welke leerlingen geschikt waren om de stijl verder te geven, de leerlingen niet vertellen waar de stijl ontstaan is enz.enz. Verder waren de meeste Pentjak Silat en Kun T’ou stijlen nauw verbonden met het voormalige Nederlands-Indie en hadden de meesters niet veel interesse om “oud zeer” op te halen, zolang er niet om gevraagd werd. Het geloof was een van de grootste struikelbrokken waar  je als “oude meester” mee te maken had als je hier in Holland onderricht gaf. Zelfs nu in de 90er jaren kan ik hierover nog wat vertellen, ik noem het dan ook:”oogkleppen visie.” 

De leerlingen hadden ook meestal geen interesse in de traditie en achtergrond van de stijlen die ze trainden, het ging hun meestal om het zo snel mogelijk leren van de technieken, het verkrijgen van hoge Dan-gradueringen en veel geld verdienen aan achteloze leerlingen.

Sijo Faulhaber was intussen lid geworden van de enige vechtkunst bond die Holland bezat, het JuDoKwai Nederland en omdat men hier in Holland moeite had met de benaming en de moeilijk ogende technieken, werd het Shaolin Kempo in het leven geroepen. Eenvoudige en strakke technieken, maar toch gebaseerd op het originele Kun T’ou, dwz. harde technieken, incasseren en lichamelijk contact met o.a het sparren en trainen van diverse verdedigingen. Naast sijo, zaten er mensen van het Judo, Karate en Jiu Jitsu in de bond en dat kon nooit goed gaan. Wij Indo’s zijn goed in het trainen en lesgeven van diverse vechtkunststijlen, maar als het op organiseren of geld beheren aankomt, wordt het een puinhoop. Nou dat gebeurde er dus toen ook. Er ontstonden twee stromingen in het “Kempo”, de sijo “pak Faulhaber Familie/Clan en de G.Meijers aanhang.  De “paatje Faulhaber” familie stijl is eigelijk verder altijd afzijdig geweest van verdere turbulentie in het bonden wereldtje, er werd alleen getraind en bezocht “ta sifu Rob Faulhaber” alle familie scholen in holland. 

De supervisie in Zuid-Holland werd door sijo “paatje” Faulhaber in handen gelegd van sifu Jimmy Bax en een-ieder die voor  zijn instructeurs graad examen moest doen, bracht toendertijd een bezoek aan sijo “paatje”Faulhaber in Renkum en moest elke maand lesgeven in de familie-scholen in holland. 

Sijo “Paatje Faulhaber” overleed helaas in 1974 en werd “ta sifu Rob Faulhaber “hoofd van de Familie.” In 1984 stopte ta sifu Rob Faulhaber met het lesgeven en nam sifu Ben de Wit de school in Renkum over.

Het ontstaan van onze Kun T’ou Matjan stijl.

De meeste Penjak Silat en Kun T’ou stijlen zijn ontstaan uit een Mohammedaanse, Hindoestaanse of Boedhistische/Toaistische achtergrond en vaak vond er een vermenging plaats van diverse religisch.

De meeste Chinezen zijn van huis uit Boedhisten, Taoisten of zijn volgelingen van Confuciuus. In de meeste Kun T’ou stijlen die door de “Indo’s” in de 50er jaren van-uit het Ned.Indie naar Holland zijn gebracht, is duidelijk de Silat stijl aanwezig met de daarbij behorende Javaanse benamingen, te zien en te horen

Het Kun T’ou systeem is gebaseerd op traditie’s en vaste gebruiken, waar elke beoefenaar zich aan moet houden, of het nu een leraar of leerling is. De training of Latihan van het Kun T’ou bestaat uit twee gedeelten: Je begint als leerling aan het eerste gedeelte van de training met het leren van de basis-technieken, de Bunga of bloem; dan als je na jaren zover bent dat je zelf les les kunt gaan geven, krijg je van je leraar de vulling van de stijl, de Buah of vrucht. De Silat beoefenaren spreken van Pulut (=Bunga) en Kebatinan (=Buah).

Ik heb nadat ik bij sifu Bax in december 1974, mijn zwarte band had behaald, een tweetal jaren het Batumerah Silat (=Molukken Silat) getraind onder leiding van guru Samath Umarella uit Vught. Ik had guru Umarella enige jaren ervoor ontmoet door toedoen van een molukse vriend (Eduard Bakarbessi uit Capelle a/d IJssel). De grondlegger van deze stijl was Achmed Shahib van het eiland Ambon.

Het Silat Serak (of Serah) is een harde en meedogenloze vechtkunst, een stijl die ontwikkeld is om een tegenstander zo snel mogelijk uit te schakelen. Wat ik geleerd hebt bij sifu Jimmy Bax, is op het moment dat de verdediger lichamelijk kontakt krijgt met de tegenstander, hij niet meer loslaat tot deze is uitgeschakeld (het sluiten van de tegenstander).

De “Silat Serak” stijl is te vergelijken met de harde “Shaolin stijl, op het moment dat de aanvaller start met de aanval, neemt de Serak beoefenaar de aanval over en is er geen tijd voor medelijden.

Het ontwijken van de direkte aanval (bij het Kun T’ou de L-loop en bij het Shaolin kung-fu het zijwaarts indraaien) is de basistechniek van onze stijl, dan na enige jaren van intensief en geduldig trainen, krijg je de direkte tegenaanval op het moment dat de tegenstander de aanval inzet (Shaolin Lohan stijl, de basis van de Shantung stijl).

Ik noem bewust de naam Shaolin Kung-fu en niet een stijl of systeem om een techniek te benadrukken die te vergelijken is met onze Kun T’ou stijl. De benaming van “een harde stijl” is synoniem aan de Nan Shaolin stijl. Dus daar behoort o.a. ook de vuiststijlen van de Hung familie, het Choy Li Fut, het Pak Mei Pai,het Fu Yow Pai, de Pai Ho Pai, Loong Yow Pai, het Ying Yow Pai enz. onder te verstaan.

Ook het Yung Chun ( het Wing Chun Kuen in de orginele versie, heden alleen nog te vinden in de provincie Fukien) is in Indonesië vermengd met het Silat en wordt daar “Hokkian Siauw Lim Tao Kuntao”genoemd en is in Nederland onderwezen door “Paatje Tan” uit Dordrecht.

Het unieke van onze Kun T’ou stijl is, dat “de fundatie”(de basis) de historie en de traditie in de loop van de jaren het zelfde is gebleven, maar dat de inhoud van de stijl is uitgebreid met technieken uit andere Zuid Shaolin kung-fu stijlen en hiermee de stijl alleen sterker heeft gemaakt om in deze technologische wereld te overleven. Dit heeft voor mij ook de doorslag gegeven om voortaan onze fundatie weer gewoon Kun T’ou Macan te noemen en mij zo verder van degenen te distantiëren die aangesloten zijn bij de Karate Do bond Nederland. Deze stijl heeft geen enkele overeenkomst meer met het Chinese vechtkunst systeem en is geheel Japans georiënteerd.

Net als het Chinese Kung-fu (de traditionele stijlen wel te verstaan), hebben de Silat stijlen uit Indonesie (Java, Bali, Sumatra, Ambon, de Molukken enz) vaste ceremonies en regels, die afhankelijk van het geloof een grote invloed hebben op de training en het onderwijzen in de vechtkunst technieken. Maar een ding hebben alle vechtkunst stijlen met elkaar gemeen, en dat is het respekt en begrip voor elkaars vechtkunst, ongeacht zijn ras, geloof en kleur.

Het volgende gedeelte gaat over de grote invloed die Di Sihing Paul Bax heeft gehad op de Kun T’ou stijl van sifu Jimmy Bax, mijn ontwikkeling in de vechtkunst en op onze stijl.

Paul Bax was een man met ervaring in het overleven in de “bush bush”. In de 50er jaren was hij werkzaam in het voormalig Nederlands Papoea  Nieuw Guinea, de rest van het gezin Bax repatrieerde naar Nederland. Paul was werkzaam als, zoals de toenmalige regering het zo mooi noemde, “detacherings jongen of Detaboy’s” in de rimboe, om o.a de steden Fak Fak en Hollandia op te bouwen. Regels waren er wel, maar waren praktisch niet na te leven en er werd dus regelmatig stevig gevochten. Paul vertelde vaak over deze ervaringen en beschreef de verschillende technieken die tijdens deze gevechten werden gebruikt en tegenwoordig zouden ze worden beschreven als “straatvechten”. Van hem leerde ik ook, dat je nooit ongeschonden uit een strijdt kon komen, wat voor een soort gevecht dan ook, maar dat je het gehele lichaam moest trainen om het als een wapen te kunnen gebruiken voor je eigen verdediging. De zweepslagen, de ophaal naar het hoofd, de lever, de nieren, de zwevende ribben, het indraaien van de heupen, de “petjoet”, de trekstoten enz. dit zijn technieken van Paul Bax.

Werken ze? Kun je ze gebruiken en hebben ze effect?

Nou gelooft het maar, ze zijn allen uitgetest en hebben de kwalificatie van “3 seconden technieken”. Zelf heb ik het in mijn huidige baan enige malen gebruikt en het werkt, degene die geraakt werd vertelde later, dat hij niet gezien had wat hem geraakt had en had ik een officiele klacht aan mijn broek.

Maar het allerbelangrijkste wat ik geleerd hebt van Paul, was het plezier om te trainen, het steeds bezig zijn met je lichaam, kijken of je nog iets meer kon schaven aan een techniek, het kijken naar bokswedstrijden. Helaas is Paul op een “lange reis” gegaan en traint hij nu waarschijnlijk met “paatje Faulhaber” en al degenen die we hebben verloren in de afgelopen jaren.

Twee-handig werken, zijdespoel-techniek, heup indraaien en hiel omhoog, knoops-gat techniek, indraaien met de breek/weringen enz. Blijf bewegen met het lichaam, stilstaan betekent  dat je een makkelijk doel bent voor een aanvaller.

Sifu Jimmy Bax zei altijd;”zijn je benen niet sterk om te trappen, dan zul je de handen en armen dubbel zo hard moeten trainen. Zijn je armen en handen niet sterk, dan zul je de benen dubbel zo hard moeten trainen. Elke leerling zou een zandzak in huis moeten hebben, waar hij elke dag op zou moeten slaan en trappen.”

Je hele lichaam kan je als een wapen trainen, maar geduld, liefde voor de vechtkunst en spirit, zijn de hoofdbestanddelen. “Time makes Kun T’ou.”